Archive for the ‘SvJ’ Category

Oblastni Charita biedt perspectief aan daklozen

Wednesday, June 29th, 2011

Je kunt veel zeggen over Brno, maar niet dat de opvang van daklozen slecht geregeld is. Verantwoordelijk daarvoor is Oblastní Charita Brno, die drie gebouwen in de stad heeft. Een daarvan is een locatie speciaal voor vrouwen met kinderen, een ander is een daklozenhostel. De derde is een dagopvang voor elke Brno’er zonder dak boven zijn of haar hoofd. “Dat dit centrum sinds vier jaar midden in Brno zit, is heel goed geweest voor de daklozen”, zegt Kateřina Zoufalá, de coördinator van de opvang.

Het centrum in de wijk Zábrdovice oogt van buiten vrij troosteloos. Veel van de ramen zijn flink gehavend en de ingang bestaat uit twee grote klapdeuren van bijna verrot hout. Binnen doet het denken aan een oud kantoorgebouw, een vermoeden dat Zoufalá later bevestigt.

“Toen dit pand in 2008 leeg kwam te staan, is de dagopvang hierheen verhuisd. Eerst stond die ver buiten het centrum van de stad. We wilden verhuizen zodat de daklozen ons beter konden bereiken, en dat is zeker gelukt.” In Brno zijn volgens schattingen van de gemeente 1300 daklozen. De dagopvang krijgt er jaarlijks 1000 over de vloer. “Dat is drie keer meer dan toen we nog aan de rand van de stad zaten.”

Oblastní Charita Brno bestaat sinds 1993. Toen bestond de stichting uit de dagopvang, maar dan vrijwel alleen gericht op de dagelijkse behoeftes, en het opvangtehuis voor dakloze moeders. In 2004 kwam daar een locatie speciaal voor mannen bij. Vanaf dit jaar richt dat pand zich vooral op  het verschaffen van slaapplekken. Zoufalá is duidelijk: “Dat de stichting al zo lang bestaat, bewijst het belang ervan.” En dan te bedenken dat Oblastní Charita niet het enige instituut is in Brno dat daklozenzorg aanbiedt: ook het Tsjechische Leger des Heils, in dezelfde straat gevestigd als de dagopvang, biedt hulp.

Op dagelijkse basis komen 80 tot 100 daklozen langs bij de opvang in het centrum. Ze krijgen een simpele maaltijd aangeboden, kunnen zich opfrissen en schone kleren krijgen, een krant lezen en tv kijken. Ook proberen de medewerkers van de opvang de daklozen een betere toekomst te bieden: “In dit centrum zijn altijd maatschappelijk werkers aanwezig, om simpelweg te praten met de bezoekers en om hen te helpen met hun problemen. Op die manier kunnen we de situatie van veel daklozen structureel veranderen.” Het gaat nog verder: het opvanghuis biedt ook rechtsbijstand en helpt bij het zoeken naar een baan.

De eerste tien bezoeken zijn gratis, daarna moet men gaan betalen voor sommige zaken, zoals eten en een douche. “Dit doen we niet om winst te maken, maar om misbruik te beperken. Maar mensen die helemaal geen geld hebben, zullen we niet buiten laten staan. Die kunnen hier klusjes doen om de diensten te verdienen.” Het schoonmaken van de dagopvang is wat de daklozen het meest doen, maar ook kunnen ze wenskaarten maken en kleding repareren. Die producten worden vervolgens verkocht in het pand zelf, maar ook daarbuiten, in de wijk. Of dat veel oplevert? “Niet echt”, zegt Zoufalá met een pijnlijke glimlach.

Het opvangcentrum is afhankelijk van geldschieters: overheden, bedrijven en particulieren. De gemeente Brno keert subsidie uit en de afzonderlijke stadsdelen dragen ook hun steentje bij. Daarnaast leveren onder meer supermarkten, apothekers en kledingwinkels producten die ze niet meer nodig hebben of waarvan de houdbaarheidsdatum bijna verlopen is. Ten slotte zijn er groepen, vooral bestaande uit gelovigen, die namens de gemeenschap geld afdragen. ”Zonder al die steun zouden wij niet elke dag opnieuw ons werk kunnen doen. Zonder die steun zouden de daklozen in Brno het heel wat moeilijker hebben.”

Brno zit als een afgeragde fauteuil

Sunday, June 26th, 2011

Deze column is geschreven op vrijdag en wordt een dezer dagen gepubliceerd op B’richt uit Brno.

Brno is vooral anders. Ik dans in een doodgewoon park tussen de rastafari’s om een uur of 10, 11 ‘s avonds. Ik bestel de duurste gerechten van de kaart omdat één Tsjechische kroon meer de waarde heeft van een papieren Burger King-kindermenukroontje dan van een uit goud gemaakt hoofddeksel. Ik spreek ongegeneerd over ‘Moravische mokkels’, vrij naar de Tsjechische provincie Zuid-Moravië, alsof vrouwen niet meer dan handelswaar zijn.

Een cultuurshock zou ik het niet willen noemen, een plezante verrassing des te meer. Als Brno een stoel zou zijn, dan is het een fauteuil met gaten in de bekleding en opgedroogde bleek over de leuning. De eigenaar van de fauteuil heeft al meerdere keren beloofd de bekleding te laten vervangen, maar hij is zo onbetrouwbaar als de pest. Zodra je echter gaat zitten, merk je dat ook afgeragde fauteuils heerlijke zitplekken zijn.

Anders is ook de muziek waarop de Brno’ers dansen. Staat in het Nederlandse uitgaansleven een nieuw, fijn hitje standaard in een zorgvuldig uitgedokterde afspeellijst, dan kom je minimaal anderhalf jaar later dat liedje in Brno tegen, voorafgegaan door Boney M en gevolgd door ABBA. Anders zijn de gemuilkorfde honden, alsof het bloeddorstige wezens zijn die naar de aarde zijn gestuurd om de apocalyps te bewerkstelligen. Anders zijn de trams met luikjes in het dak die standaard geopend zijn, waardoor het ook in de tram kan regenen. Anders zijn de heuvels, de hoogteverschillen, de bescheiden bergen in de stad. Anders zijn de voetgangerslichten die niet knipperen voordat ze op rood springen.

Als we zondag aankomen in Utrecht, ga ik onder een van de bankjes in de trein zitten. Alsof ik 8 jaar ben, op mijn hoofd een stalagmietencollectie prijkt door een halve pot Kruidvat-gel en ik net op een schoolreisje ben geweest. Maar deze keer doe ik het niet om mijn ouders te laten denken dat ik vermist ben. Deze keer doe ik het om Nederland in de wacht te zetten en het ‘andere’ Brno nog even niet te vergeten.

B’richt uit Brno: volgende week meer

Friday, June 17th, 2011

Deze blogpost verscheen eerder vandaag in gewijzigde vorm op Humedia.nl.

Tsjechië. Het land van… ja, van wat eigenlijk? Je kunt er skiën, vroeger was het een gezellig groot land samen met Slowakije en men betaalt er met kronen. Maar of dat Tsjechië typeert?

Samen met zeven andere eerstejaarsstudenten Journalistiek, drie ouderejaars en docent Bert Determeijer ga ik naar dat land. Morgen vertrekken we met de nachttrein, zondag stappen we uit op een van de treinstations van Brno, de tweede stad van Tsjechië. In datzelfde Brno gaan de uitverkoren studenten zeven dagen lang journalistiek bedrijven. Zoals dat al jarenlang gebeurt, steeds weer in het kader van de stedenband tussen Brno en ons aller Utrecht. (Ook al was in 2009 onzeker of de reis anno 2011 nog zou bestaan.)

Sinds vorig jaar wordt een heuse website gebruikt om al het werk te delen met de buitenwereld. Nu staat-ie nog vol artikelen van de vorige reis, maar aankomende week wordt daar verandering in gebracht. Dan zul je lezen over (of kijken naar, want er gaan flink wat camera’s mee) het eerste ‘maid café‘ in Europa, de bevlogen journalist Michal Kašpárek die een Engelstalige Brno-blog onderhoudt en – het blijven immers studenten – een hotel waar het bier recht voor je neus gebrouwen wordt.

Gedurende de week zal ik mijn eigen artikelen ook hier op Peuchen.nl plaatsen. Omdat dat leuk is. De artikelen net iets meer aandacht krijgen. Enzovoorts.

Dus: volgende week is Brno-week. Volg dat dus hier, op de website zelf en natuurlijk heel twee-punt-nullerig via Twitter. Dan beloven wij, de studenten, mooie inkijkjes in de wereld die Brno heet. Van uw belastingcenten. Nou ja, deels dan.

Paardenstaart zoekt meisje

Tuesday, May 31st, 2011

Mijn Twitter- en Facebook-gebruik loopt soms wat uit de hand. Althans, dat vinden anderen. Zelf ben ik van mening dat mijn tweets en statussen altijd door de beugel kunnen. Oké, ik plaats wel eens iets waar men pissig van wordt, waar men zich druk om maakt of waarmee ik mijn reputatie schade toebreng, maar spijt heb ik daar niet van. In geen enkel geval.

Of het door die berichten komt, door mijn paardenstaart of door iets totaal anders, weet ik niet, maar iemand vindt mij schattig. Zie de tweet hierboven. Wieke (een toffe mede-SvJ’er) merkte het op. In de trein, van Utrecht naar Amersfoort. Op 27 mei, rond een uur of 10, 11 ‘s ochtends. Ze weet nog slechts één ding: het meisje lijkt op Selena Gomez, het vriendinnetje van Justin Bieber. Of ik daar blij mee moet zijn, is natuurlijk de vraag. Toch wil ik een poging ondernemen het meisje te vinden. Ik gok dat ze op de SvJ zit, omdat ze de trein vanaf Utrecht pakte, maar zeker weten doe ik dat natuurlijk niet.

(En nee, ik was er dus niet bij. Ik was een fez kopen voor het feest der feesten.)

Dus: ben of ken jij een meisje dat op Selena Gomez lijkt, afgelopen vrijdag in de trein naar Amersfoort zat en mij lijkt te kennen? Reageer.

Kerk

Saturday, April 30th, 2011

Deze post is een bewerkte versie van een opdracht voor de School voor Journalistiek.

“De wederopstanding van Christus is een lichamelijke, geen geestelijke”, zo preekt Eugen Graas, pastoor van de Onze Lieve Vrouwekerk aan de Keizersgracht. Het is tweede paasdag, de mis is gewijd aan het opstaan uit de dood door Jezus Christus himself. Het is een van de weinige missen vandaag in Amsterdam. De meeste waren of een dag of drie dagen eerder.

Als elke aanwezige in zijn eentje een bank zou bezetten, zouden er nog steeds lege banken zijn. Het kan liggen aan de zon die al dagen als een ware keizer de stad overheerst. Een keizer die de regen geen kans gunt, die de kou uitbant, die wolken uiteendrijft alsof het bange schapen zijn. Het kan liggen aan de missen die al op Goede Vrijdag en eerste paasdag gehouden zijn, waardoor deze mis met Gregoriaans gezang tot een bijeenkomst voor nalatigen is gedegradeerd.

Graas spreekt met een krachtige stem over hoe het kleine aantal aanwezige gelovigen de betekenis van Pasen moeten interpreteren. “Sinds een aantal decennia is er een stroming die beweert dat de wederopstanding van Christus een geestelijke is. Maar als dat zo zou zijn, zou alles wat in het evangelie en in de lezingen beweerd wordt, verzonnen zijn. Christus liet zich na zijn wederopstanding zien aan allen, zo wordt verteld. Op basis daarvan kan Christus’ wederopstanding niet geestelijk zijn. [Onder meer] op basis daarvan moet de wederopstanding lichamelijk zijn.”

De boodschap wordt nadien omlijst met de klanken van het orgel, zware klanken die de hele kerk vullen, en gezang van het aanwezige gezelschap. Het missaal, het boekje waaruit voorgelezen en gezongen wordt, stuurt het geheel aan. Ik laat het afweten, omdat ik de juiste pagina niet kan vinden. Een man achter me probeert nog te helpen, maar zonder succes. Het maakt weinig uit: het orgel overheerst zodanig dat doen alsof als je zingt een prima manoeuvre blijkt te zijn.

Achteraf zeggen aanwezigen zich te kunnen vinden in de preek van Graas. De wederopstanding van Jezus is een lichamelijke, beweren diegenen die naar hun mening gevraagd worden. “Daar mag geen twijfel over bestaan”, spreekt iemand uit. Verdere discussies worden niet aangegaan: men is overtuigd.

Elk lid van de bescheiden mensenmassa verschilt in uiterlijk voorkomen, maar een lijn valt wel degelijk te ontdekken. Zo oogt iedereen alsof zijn of haar geboorte plaatsvond in een Westers land en ligt de gemiddelde leeftijd hoog. Het eerste staat in contrast met de bordjes die in de kerk hangen: onder ‘Hulp aan de armen’ staat dezelfde tekst in het Turks en het Arabisch. Het tweede wordt duidelijk als je maar één andere jongere ziet en de rest te bestempelen valt als zijnde ouder dan 50.

Tegen het eind van zijn preek noemt Graas Jezus “je reisgezel naar de hemel”. “Ook al hebben steeds minder mensen vertrouwen in wat Jezus te bieden heeft, voor diegenen die geloven zal Jezus een maatje, een buddy zijn.” Helemaal aan het einde benadrukt hij de lichamelijk wederopstanding: “Jezus leeft, hij zoekt ons op.” Nee, ruimte voor twijfelaars laat Eugen Graas niet.

Brno: mooie dingen

Monday, April 25th, 2011

Het was een avondje dansendansen zoals vele andere. Tivoli, Utrecht deed dienst als de plek waar we onverstandig waren. We vertrokken rond 4 uur ‘s nachts, pakten de taxi en gingen slapen.

De telefoon gaat, ik word wakker. Tegen de tijd dat ik doorheb dat het mijn telefoon is waardoor ik ontwaak, ben ik te laat. Het nummer, dat begint met het Utrechtse 030, herken ik totaal niet.

Zestien minuten later gaat de telefoon opnieuw. Hetzelfde nummer. Ik neem op, hoor een bekende stem praten, krijg een bestemming toegeworpen voor een reisje van 18 tot 26 juni. Het is geen vraag, het is een mededeling. Ik gooi er een aantal keer ‘ja’ tussendoor, ik stel geen vragen, ik hoor het aan. Flabbergasted. De stem gaat door met het gesprek. Of ik maandag, drie dagen later, mee uit eten ga. Om de groep te leren kennen.

Het idee: ik ga in juni samen met de zeven beste eerstejaars, drie ouderejaars en een docent naar Brno, de tweede stad van Tsjechië. Aanvankelijk zou ik niet bij het groepje zitten, waar ik vrede mee had. Toen haakte iemand af. Toen werd ik gebeld. Dat was tof.

De uitwerking: ik ga artikelen schrijven, foto’s maken, filmen in Brno. Verhalen over de jeugd aldaar. Over de cultuur. Over het dagelijkse leven. Over de relatie met Europa. Over leuke dingen. In juni. Na de laatste tentamenweek. Voor de herkansingsweek. Met een beetje pech krijg ik in Brno te horen dat ik een aantal dagen later nog naar Utrecht moet. Maar daar ga ik niet van uit.

De reis: we vertrekken op 18 juni om 19:00 uur met de trein naar Brno, met een korte stop in Berlijn. Dat kan sneller, zoals je hierboven kunt zien, bijvoorbeeld via Wuppertal, Fulda, Bayreuth en Pizeň. Maar goed, een tocht van zeventieneneenhalf uur met de nachttrein (met banken waar je bedden van kunt maken) heeft wel iets.

Uiteraard houd ik te zijner tijd de buitenwereld op de hoogte van alle Brno’se avonturen. Is het niet via deze prachtige blog, dan wel door middel van mijn ongezonde obsessie. Trouwens, een volstrekt irrelevante mededeling: de treinreis en de overnachting zijn op kosten van de gemeente Utrecht. Dank u wel.

De status quo van een golfstaatje

Wednesday, March 30th, 2011

Deze analyse is geschreven als eindopdracht voor het vak Foreign Affairs op de School voor Journalistiek.

Dat de Verenigde Staten een dubbele agenda hebben inzake de Arabische lente die nu speelt, is al langere tijd duidelijk. We zagen het bij Ben Ali in Tunesië, we zagen het bij Mubarak in Egypte. Enerzijds hebben de Verenigde Staten graag stabiliteit in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, anderzijds streeft Washington een zekere mate van democratisering na. Het ene wordt veroorzaakt door Amerikaanse belangen aldaar (denk aan olie en strategische kwesties), het andere door de eeuwenoude overtuiging dat de burger vrij moet zijn zelf keuzes te maken. Ook in Bahrein, waar de demonstranten nog steeds de straat op gaan, is die dubbele agenda aanwezig. Ook in Bahrein worden de belangen zorgvuldig afgewogen.

In Tunesië en Egypte kregen de protesten onder de bevolking tegen het heersende regime een zodanig overheersend karakter dat de VS weinig keuze had. Het niet steunen van democratisering in die landen zou ervoor zorgen dat het anti-Amerika-gevoel daar nog meer zou toenemen. In Bahrein ligt het momenteel anders. De reactie van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton was daar een goed voorbeeld van. Toen bleek dat demonstranten door politiemensen beschoten werden, vroeg ze de Bahreinse overheid de politiemensen die excessief geweld gebruikten daarvoor verantwoordelijk te houden. Daarnaast riep ze op om terug te keren naar een klimaat waarin veranderingen van betekenis gestalte kunnen krijgen.

Dat was een vrij gematigde reactie van Clinton; iets totaal anders dan de oproep aan het regime van Mubarak destijds om de machtsoverdracht “nu” in te zetten. Deze terughoudendheid past perfect bij de vrees die de VS heeft: dat Iran haar invloedssfeer in het Midden-Oosten weet uit te breiden.

De banden tussen Bahrein en de Verenigde Staten zijn op dit moment prima. Zo is er sprake van een strategisch verbond en een vrijhandelsovereenkomst. Bovendien heeft de VS een basis in Juffair (tegenwoordig een district van de hoofdstad Manama), waar een aantal schepen van de Amerikaanse Vijfde Vloot gestationeerd zijn.

Het koningshuis en de regering van Bahrein, beide soennitisch van aard, zijn verantwoordelijk voor deze samenwerking met de VS. Diezelfde twee groepen liggen onder druk van het Bahreinse volk, dat de straat is opgegaan om te protesteren. Protesteren tegen het volledig soennitische regime, terwijl een meerderheid van de bevolking (schattingen lopen uiteen van 60 tot 70 procent) het sjiisme aanhangt. Een constructie die mogelijk is doordat de soennitische koning de leden van de regering aanwijst.

In tegenstelling tot veel Bahreiners zelf staan de Verenigde Staten niet afwijzend tegenover deze situatie. De regering biedt immers genoeg stabiliteit om Iraanse invloeden buiten de deur te houden en geeft de VS met haar marinebasis de mogelijkheid snel op te kunnen treden tegen het land van president Ahmadinejad, mocht dat noodzakelijk zijn.

De Amerikaanse angst voor Iran vloeit onder meer voort uit de steun die de Iraanse regering heeft uitgesproken voor de betogers in Bahrein. Ali Akbar Salehi, minister van Buitenlandse Zaken van Iran, verwachtte wijsheid van de Bahreinse leiders. Geweld tegen demonstranten gebruiken zou volgens de minister uit den boze zijn (al wil de ironie dat opstanden ook in zijn eigen land met harde hand neergeslagen worden).

Mocht het regime in Bahrein vallen, dan bestaat de kans dat Iran zich gaat bemoeien met de instabiele politieke situatie die daaruit volgt. Ahmadinejad, steevast criticaster van de westerse wereld in het algemeen en de VS in het bijzonder, zal zijn kans schoon zien nogmaals steun te betuigen aan de Bahreinse oppositiebewegingen. De mogelijkheid is aanwezig dat dit niet enkel metwoorden zal gebeuren, maar ook via de diplomatieke weg. Daarom zullen de Verenigde Staten de protesten in Bahrein enkel uitdrukkelijk steunen als ingrijpende veranderingen in de hoogste kringen onvermijdelijk zijn, net zoals de Westerse grootmacht in het geval van Egypte deed. Dan móét de VS wel, om te redden wat er te redden valt. Tot die tijd zal de VS de boot enigszins afhouden, hopend op concessies van de regering in Bahrein. Concessies waardoor de rust onder het volk, met name onder het sjiitische gedeelte, wederkeert. Dát zijn de ‘veranderingen van betekenis’ waar Hillary Clinton op doelt.

 

‘Wie is… de Mol? kan nog jaren mee’

Tuesday, January 4th, 2011

Dit artikel verscheen eerder op de interne nieuwswebsite van de SvJ-klas D10.

Voor de elfde keer gaat donderdag een nieuwe serie van Wie is… de Mol? van start. Ondanks de leeftijd zijn de makers ervan overtuigd dat de spelshow nog steeds voldoende dynamiek en kijkplezier biedt.

Eindredacteur Jan Peter Pellemans, ook bekend als het onzichtbare jurylid JP van Lingo, geeft aan dat WIDM nog lang niet op z’n retour is. “Elk land leidt tot nieuwe inzichten en opdrachten en het gegeven van wantrouwen en vertrouwen is van alle tijden en universeel. Bovendien kent elke groep zijn eigen dynamiek en hoogte- en dieptepunten. De serie kan hierdoor nog heel lang mee.”

Elk jaar doen er tien bekende Nederlanders mee aan de serie die van Belgische makelij is. Dit jaar zijn Hanna Bervoets, Horace Cohen, Anna Drijver, Soundos El Ahmadi, Karin de Groot, Pepijn Gunneweg, Jan Kooijman, Miryanna van Reeden, Art Rooijakkers en Patrick Stoof de deelnemers, die deze keer afreizen naar het Zuid-Amerikaanse El Salvador. Volgens Pellemans is deze groep “heel competitief en houdt ze ongelooflijk van discussiëren”.

De vorige serie zich af in Japan, waar de autoriteiten wel eens op het laatste moment opdrachten afgelasten. “Dit jaar werkten ze geweldig mee, maar gooiden de weergoden nogal eens roet in het mol-eten”, aldus Pellemans.

Sinds 1999 is Wie is… de Mol? te zien op de Nederlandse televisie. De eerste vijf edities waren de deelnemers onbekende Nederlanders; vanaf 2005 werden BN’ers benaderd voor deelname.

Zeven weken SvJ: de tussenstand

Sunday, October 17th, 2010

De eerste zeven weken op de School voor Journalistiek zitten erop. De doemverhalen die ik vooraf hoorde, zijn nog niet al te talrijk waarheid geworden. Wel is het internet klote, valt het tegen hoe interessant de hoorcolleges zijn en is de koffie uit de automaten niet te drinken. Dat het tot nu toe zo meevalt, kan ook liggen aan het feit dat ik nog niet geconfronteerd ben met het FBO, het administratief centrum van onze faculteit, een instituut waar de meest verschrikkelijke verhalen over rondgaan.

De afgelopen weken zijn behoorlijk snel gegaan. Het introkamp kan ik me nog goed voor de geest halen. De muziek waarop we dansten, de gesprekken die we hebben gevoerd, het bier dat we dronken: het zijn mooie herinneringen. Een stuk of 24 foto’s publiceer ik snel. Ze zijn nu nog bij de Kruidvat, aan ‘t ontwikkelen (dat dat tegenwoordig nog mogelijk is!).

Het schooljaar begon echter pas echt toen we de maandag daarop vier uur in een lokaal zaten, te brainstormen over de opzet van een tijdschrift. Toen was de naam nog niet bekend, later wel: KOOS. Afgeleid van ‘studentikoos’, omdat de redactie van KOOS schrijft voor en over studenten. Diezelfde dag hadden we ons eerste hoorcollege, dat meteen representatief was voor de rest van de hoorcolleges dit blok. Als ze nou net iets leuker waren, zou voorkomen worden dat mensen in slaap vielen en dat de opkomst steeds dramatischer werd.

Over KOOS schrijf ik later nog wat meer, zodra ik het tijdschrift in handen heb. Dan kan ik als trotse ‘vader’ ons kind presenteren aan de buitenwereld. Ik ben er namelijk best blij mee.

Met een kop koffie op de Dam

Sunday, September 12th, 2010

Ik stond stijf van de zenuwen. Mijn eerste grote interview zou plaatsvinden op de Dam, bij die verdomde Coffee Company. ‘Groot’ is in dit geval misschien niet de juiste benaming voor een interviewtje van twintig minuten met een deelnemer van ‘Op zoek naar Zorro’, zanger, acteur en gamejournalist dat enkel door mijn docente gelezen zal worden. Het voelde in ieder geval wel groot. En terwijl ik onderweg was naar het interview, leek het steeds groter en groter te worden. Ja, ik was óntzettend gespannen.

Samen met mijn slachtoffer bestelde ik een moccachino. Daarvoor had ik het nooit gedronken, maar hij bestelde het ook, dus het moest wel goed zijn. We zochten een tafel, ik legde mijn voice-recorder klaar en daar gingen we.

Na afloop realiseerde ik me dat ik maar twee slokken van mijn moccachino gedronken had. Hij nog minder. We namen afscheid, hij pakte de fiets, ik goot de – inmiddels koude –  koffie naar binnen. Ik had het overleefd. En zo slecht ging ‘t niet eens.